De Verstandige Jongen

0
1299

Sjel en Jan. Dat waren de helden van 1954. Maar wie kende die sobere werker in hun schaduw? Piet van Bladel?

Sjel. Iedereen kende Sjel.
Sjel was met een helm op geboren, zeiden ze dan. Altijd mazzel.
Een taaie.
En iemand met wie je kon lachen.
Dan zaten ze na de wedstrijd weer eens te eten bij hotel Riche op de Heuvel en zei Sjel ineens: weet je wat, ze moeten die groene Willem II eens een keer schuren. Natuurlijk was er altijd iemand die dan zei: doe jij het dan. En dat deed ie dus. Dan klom ie met z’n tandenborsteltje in het standbeeld. Onze Sjel.
Iedereen lachen natuurlijk. Piet ook.
Maar Piet ging dan niet mee, of zo.
Niet dat Piet het niet durfde. Piet deed dat soort dingen gewoon niet. Had hij niet nodig. Nou ja, Piet was volgens zijn vrouw Leny (de zus van Sjel) wel een serieuze jongen. Dat wel. „Dat zeiden ze ook, hoor Piet. Je was een serieuze jongen.”
Piet lachte zachtjes. Ach, serieus. Je kon ook zeggen: verstandig.
Want Sjel was dan zo iemand die de stopper van SVV of de linksbinnen van Fortuna bij een kopduel in z’n middenrif prikte. Om ‘m uit evenwicht te brengen. Dat deed ie. En als de voorzitter in de rust weer stond te (klagen) zei Sjel dat ie z’n mond moest houden. „Want je weet nog niet eens of een bal rond is of vierkant.”
Piet dacht dan: Sjel, jongen, doe toch voorzicht, straks zijn we je kwijt.
En dan? Dat zei hij dan ook tegen Sjel, trouwens. Ja, natuurlijk.
In het veld viel hij nooit echt op, wat op zich ook niet vreemd was, want het elftal speelde vooral in dienst van Jan van Roessel. Jan was niet echt een loopwonder, zeiden ze. Maar hij kon koppen, ongelooflijk. „Een goeie voetballer hoor, denkt erom.” Een beetje zoals Ruud Boymans, zeg maar. Piet vond het prima, want je kon wel leuke passeerbewegingen bedenken, maar een actie moest toch vooral ook rendement opleveren.
Piet was overdag bedrijfsleider bij Ford, op de Heuvel. Voetballers werden niet betaald, nou ja, niet echt. Soms moest je dan op je fietsje naar de penningmeester. Die woonde aan de Enschotsestraat. Daar moest je dan een keer in de maand naartoe en dan kreeg je een zakje mee naar huis.
Oké, het was nog voor de uitvinding van de lease-auto, en de tribunes waren van beton en je kon er niet zitten. Maar voor de voetballers werd best goed gezorgd. „De shirts lagen klaar en je schoenen werden gepoetst.”
En de broodjes werden gesmeerd. Dat was traditie: ieder jaar kwamen de spelers en de bestuursleden en de vrouwen-van bij elkaar in de kapel van de kapucijnen en dan was er een mis. Met daarna dus: broodjes.
Ieder jaar. Begin van de competitie. Broodjes met ham en kaas. En Leny maar smeren: „ Was altijd heel gezellig.”
Bij alle andere wedstrijden kwam de familie altijd bij elkaar. Ook gezellig.
En dan dronken ze na de wedstrijd nog een bakje koffie en aten ze een kroketje.
Hij woonde met zijn Leny nog in België en in de Reeshof en in Waalwijk, maar uiteindelijk gingen ze toch terug naar Tilburg. Nee, Waalwijk, dat was niks. Piet schudde zijn hoofd en Leny zei: „Waalwijk, da’s geen stad, ook niet. Oh, nee.”
Goed, het was dan wel zestig jaar geleden en hij was nooit de ster van het elftal, maar ze herkenden hem wel in die nieuwe appartemententoren. „Ik denk dat wel vijftig mensen het hebben gevraagd: hé, jij bent toch Piet van Bladel van Willem II? Dat heeft me enorm verbaasd.”